zondag 10 december 2023

Ruben de nachtwachter van Bethlehem (een vrij kerstverhaal)

Ruben de nachtwachter van Bethlehem. 

Ruben hoort de stalletjes van de verkopers in zijn straat dicht gaan. 
Hij draait zichzelf nog even om en trekt zijn misvormde been wat omhoog. 
Ja ooit was Ruben gezond geweest, een gezonde herder die nergens bang voor was. 
Ruben was de sterkste van de hele omgeving van Betlehem geweest. 
Één meter negentig en met zijn brede borstkas was hij een geziene persoon. 

Ruben gaat in zijn gedachten nog even terug naar die vreselijke nacht toen een grote groep leeuwen de schaapskudde aanvielen. 
Ruben heeft een stel uitstekende ogen die in het donker meer konden zien dan de andere herders.
Dus het was Ruben die als eerste de leeuwen zag aankomen. 
Ruben had als eerste zijn knuppel gepakt en zijn kameraden gewaarschuwd voor het naderende gevaar. 
Terwijl de andere herders het bijna uitgedoofde vuur weer aanwakkerden en fakkels gingen aansteken om de leeuwen te verjagen vielen de leeuwen de schapen al aan. 
Ruben wachtte niet op de fakkels en sprong tussen de schapen en de leeuwen in. 
Terwijl hij met een leeuw in gevecht was besprong een andere hem van achteren en beet een stuk uit zijn rechterbeen. 
De andere herders kwamen Ruben te hulp en verjoegen de leeuwen met hun brandende fakkels.

Ruben zucht en voelt de pijn nog die hij toen had.
Gelukkig brachten de andere herders hem terug naar Bethlehem waar hij door de beste dokters behandeld werd. 
Zijn herstel duurde lang en men wist in het begin niet of Ruben het zou overleven. 

Daar komt Mirjam de kamer binnen. 
Ja Mirjam was degene die Ruben dag en nacht verpleegt had en die het niet erg vond om Ruben opnieuw te helpen bij het leren lopen. 
Nou ja, lopen.... 
Meer strompelen dan lopen maar naar een aantal maanden kon Ruben weer op eigen benen staan.
Ruben en Mirjam zijn in die tijd veel om elkaar gaan geven en op een dag strompelde Ruben met iedere cent die hij had naar de vader van Mirjam om hem te vragen of hij haar als vrouw zou mogen nemen. 
De bruidsschat was niet veel maar omdat Ruben ook de schapen van de vader van Mirjam gered had kregen ze toestemming om te trouwen. 
De vraag was waarmee Ruben zijn geld nu mee moest verdienen. 
Herder zijn was uitgesloten en een ander vak had Ruben nooit geleerd. 
De oudsten van Bethlehem besloten gezien de dapperheid en Ruben zijn uitstekende nachtzicht hem aan te stellen als nachtwachter op de zuidpoort. 
Ruben had deze benoeming met beide handen aangegrepen ondanks het zeer lage loon.
Gelukkig verkocht Mirjam overdag honingkoeken op het marktplein en verdiende daarmee een centje bij zodat ze samen genoeg verdienden om van te kunnen leven. 
Ruben had de oudsten van Bethlehem belooft net zo goed over Bethlehem te waken als dat hij als herder voor de schapen had gedaan.

Mirjam zet het brood en water op de tafel. Ze zegt, er was geen honingkoek meer over met die drukte van deze weken. 
Ruben komt zijn bed uit, zijn been steekt gemeen. Ondanks al het goede werk van de Doktoren en de verzorging van Mirjam blijft hij dag en nacht pijn houden. 
Hij eet het brood en drinkt het water, kust Mirjam en pakt zijn speer en de sleutel van de zuidpoort, doet zijn bovenkleed aan en verlaat zijn schamele woning. 
Op de straten van Bethlehem is het zelfs in de avond nog een drukte van belang. 
Veel reizigers die op bevel van keizer Augustus naar Bethlehem gekomen zijn om zich in te laten schrijven hebben een plek gevonden in één van de herbergen of bij familie en bekenden. 
Maar er zijn zoveel nakomelingen van David dat er ook veel mensen in hun reistenten op de straten zullen moeten slapen. 
Ruben moet over de mensen heen stappen om op tijd bij de zuidpoort aan te komen. 
Hij moppert op de Romeinen die dit niet alleen veroorzaakt hebben maar die vervolgens ook nog zo traag zijn met het inschrijven van al die mensen. 
Bij de zuidpoort aangekomen groet hij de mannen van de dagwacht en gaat in de schemering in de open poort staan om te zien of er in de verte nog reizigers komen. 
In de verte ziet hij nog een stipje op de weg. 
Er komen dus nog mensen aan. 
Ongeduldig friemelend met de sleutel van de poort in de hand wacht hij tot de reizigers bij de poort gekomen zijn. 
Het is een jonge man met een ezel waarop een jonge vrouw, eigenlijk nog een meisje zit. 
Als Ruben goed kijkt ziet hij dat het meisje hoogzwanger is. 
Ik hoop dat je nog een onderkomen kunt vinden zegt hij tegen de man terwijl hij de poort achter hen sluit. 
Nadat de poort gesloten is gaat Ruben de trappen van de poortmuur op, de avond is ondertussen gevallen en Ruben kijkt in het licht van de fakkels over de velden van Efrata. 
De nacht is lang en Ruben's pijn in zijn been speelt weer op. 
Maar dat weerhoudt hem niet om uiterst waakzaam te blijven. 
Niet alleen naar rovende bendes die Bethlehem zouden kunnen binnenvallen, wat met zoveel reizigers een grote buit zou kunnen opleveren maar Ruben let ook op de stad zelf. 
Als de mensen slapen en er ontstaat brand dan is de ramp met zoveel mensen niet te overzien.
Ruben kijkt of de ramshoorn nog op zijn plek ligt waarmee hij de mensen kan waarschuwen voor gevaren. 

De uren verstrijken en midden in de nacht ziet Ruben plotseling een schijnsel in de verte. 
Ruben spant zich in om te zien wat daar in het veld gebeurt maar het is te ver weg. 
Hoort hij daar rumoer? 
Het schijnsel lijkt niet van een vuur of fakkels af te komen, het is wit en lijkt op daglicht.
Zenuwachtig grijpt Ruben de ramshoorn maar het schijnsel is te ver weg om te kunnen zeggen of het een gevaar voor Bethlehem zou zijn. 
Even later dooft het schijnsel in de verte en lijkt het net of er niets gebeurd is. 
Ruim een uur later ziet Ruben in de verte een aantal mannen op Bethlehem afkomen. 
Als ze bij de poort aankomen roepen ze hem aan. Ruben! Doe de poort open!
Ruben herkent de stemmen, het zijn zijn voormalige kameraden, de herders van Bethlehem en omgeving. 
Wat is dat Aron? vraagt hij aan de oudste herder. Je weet toch dat ik s nachts de poort nooit open kan doen? 
Doe in Gods naam de poort open Ruben roept Aron! 
We leggen het je later wel uit maar wij moeten nu de stad in! 
Ruben kijkt of zijn vrienden niet door rovers gevolgd zijn en ziet dat het ernst is wat de herders drijft. 
En hoewel hij er niets van begrijpt loopt hij naar beneden en doet het kleine deurtje in de poort open. 
De herders stormen naar binnen en roepen dat ze straat voor straat af gaan zoeken. 
Ruben wil Aron vragen wat ze zoeken maar Aron is al met de rest van de herders de stad ingetrokken. 
Ruben sluit de poort weer goed af en gaat weer op zijn post staan, want ja die kan hij nu eenmaal niet verlaten. 
Wie moet er anders over Bethlehem waken? 
S morgens vroeg als de dagwacht hem komt aflossen gaat Ruben terug naar huis, nog steeds niet wetend wat er de afgelopen nacht nu precies gebeurt is. 
Thuis gekomen ziet hij dat Mirjam visite heeft.
Het is Aron, hij straalt van geluk en is midden in zijn verhaal als Ruben binnenkomt. 
Mirjam zet hun wat te eten voor waarna Aron zijn verhaal opnieuw gaat vertellen. 
Ruben je zal het niet geloven maar toen wij vannacht op de schapen pasten verscheen er opeens een licht in het veld, zo helder als daglicht maar dan tien keer zo mooi. 
Er verscheen ook een engel van God, wij schrokken zo dat we op de grond vielen van angst. 
Nu begrijpt Ruben wat dat schijnsel geweest is die hij de afgelopen nacht had gezien. 
Maar Aron gaat verder, Ruben je zult het niet geloven maar die engel zei dat de Messias vannacht geboren is in de stad van David, deze stad dus. 
Ruben is in de war, de Messias, hier, vannacht, in deze stad? Maar voordat hij vragen kan stellen vertelt Aron aan een stuk door wat ze hebben meegemaakt. 
De engel zij dat wij een teken zouden krijgen dat het waar was wat hij verkondigde, niet dat wij hem niet geloofden hoor. 
Zijn verschijning was al bewijs genoeg! 
Ruben ziet een rilling over Aron heengaan. 
Hij kent Aron lang genoeg om te weten dat de oude herder de waarheid spreekt en wacht af wat Aron verder te vertellen heeft. 
De engel zei dat er in Bethlehem een pasgeboren kindje in een kribbe zou liggen en dat dat de Messias zou zijn. 
Ruben denkt na, tja aan de straatkant van veel huizen staan en hangen veel van dit soort kribbes voor de rijdieren die voor de huizen vaak even vastgebonden staan. 
Het zou inderdaad kunnen dat een van de reizigers die noodgedwongen in hun reistent op straat moesten overnachten een kind heeft gekregen en een kribbe als wiegje gebruikt hebben. 
Misschien wel dat jonge echtpaar waarvoor hij die avond de poort nog heeft open gelaten. 
Onder Ruben zijn gedachten praat Aron door. 
Ja Ruben en dat was nog niet alles. 
Er verscheen een groot leger van engelen die God loofden en riepen, ere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde in de mensen een welbehagen.
Ach denkt Ruben, dat was dus het rumoer dat ik gehoord heb! 
Aron vertelt verder, plotseling waren wij weer alleen met de schapen in het veld en wij zeiden tegen elkaar, laten wij naar Bethlehem gaan om te zien wat God ons door zijn engelen heeft laten vertellen. 
Ik ben blij dat jij de poortwachter was Ruben, een ander had voor de ochtend de poort niet voor ons open gedaan. 
En vraagt Ruben, wat hebben jullie gevonden? 
Het was zoals de engel het ons gezegd had antwoordde Aron. 
Wij liepen de straten door en hoorden op een gegeven moment een kindje huilen dat inderdaad in een kribbe lag, in doeken gewikkeld. 
Een heel jong echtpaar met een ezel hadden vannacht een kindje gekregen. 
Wij hebben hen verteld van de ontmoeting met de engelen en hebben ons voor het kindje neergebogen. 
Ik zal het wel niet meer meemaken dat hij ons zal gaan verlossen maar ik ben zo dankbaar dat ik hem heb mogen zien. 
Ruben kijkt Mirjam aan, zij straalt ook. 
God heeft dus toch weer naar zijn volk omgezien Ruben zegt ze. 
Ruben knikt, het duizelt hem een beetje. 
Hij gelooft het verhaal van Aron wel, hij heeft het schijnsel en het rumoer zelf gezien en gehoord.
Maar toch, het is zo vreemd, zo wonderlijk. 

Dagen gaan voorbij, dagen worden weken. Het nieuws wat de herders vertelt hebben wordt langzaam vergeten door de inwoners van Bethlehem. Seizoenen gaan voorbij, een jaar, weer een paar seizoenen……….. 

Ruben gaat iedere avond naar de zuidpoort en sjokt iedere morgen weer terug naar huis. 
De inschrijving is voorbij, de meeste bezoekers zijn weer naar huis. 
Niet allemaal, Ruben loopt langs een huisje op zijn route naar de zuidpoort. 
Hij ziet iedere dag het jonge echtpaar uit Nazareth dat nog niet is teruggekeerd. 
Jozef de man heeft bij de plaatselijke timmerman werk gevonden. 
Hij vond het een te lange en gevaarlijke reis om met een pasgeboren baby terug naar Nazareth te gaan. 
Ruben ziet Maria bezig zijn met het malen van gerst terwijl het kind Jezus bij de voordeur aan het spelen is. 
Ruben denkt na, hoe lang is het nu geleden? Zo'n jaar of twee? 
Het moet wel want de dreumes loopt al. 
Ruben denkt aan Aron zijn oude kameraad. 
Een paar weken geleden is hij overleden. 
Hij had gelijk dat hij de verlossing van de Messias niet meer zou meemaken. 
Ruben zucht, bijt op zijn tanden vanwege de pijn in zijn been en vervolgd zijn weg naar de zuidpoort. 
De nacht verloopt rustig, de lucht is helder en er staan zoveel sterren aan de hemel dat Ruben zichzelf afvraagt of hij ooit zoveel sterren tegelijkertijd heeft gezien. 
Ruben kijkt naar het oosten en ziet een ster die anders is dan andere sterren. 
Deze ster lijkt te bewegen en komt langzaam dichterbij. 
Ruben staat stokstijf op de muur als de ster boven Bethlehem stil lijkt te staan. Ziet hij het goed?
De ster staat nu stil boven het huisje van Jozef en Maria. 
Plotseling hoort hij geroep onder de poort. 
Hij was door de ster zo in beslag genomen dat hij zijn taak als wachter even vergeten was. 
Vlug kijkt hij over de muur naar beneden en ziet daar een deftige stoet van rijke buitenlanders bij de poort staan. 
Poortwachter laat ons binnen! roepen ze. 
Ruben kijkt of het gezelschap geen bedreiging voor Bethlehem zou zijn maar ziet in het ochtendgloren dat ze geen wapens dragen. 
Als hij ze zou laten wachten tot de dagwacht hem zou aflossen zouden de oudsten van Bethlehem hem dat kwalijk nemen. 
Ruben strompelt de trappen van de muur af en doet de poort voor het deftige gezelschap open.
De mannen rijden de poort binnen en roepen tegen elkaar, daar is de ster, daar moet het zijn!
Ruben staat versteld en ziet de stoet vertrekken richting het huisje van Jozef en Maria. 
Het rumoer heeft de aandacht van de dagwacht getrokken en voordat het helemaal licht is neemt de dagwacht de wacht van Ruben over. 
Verward loopt Ruben naar huis en passeert het huisje van Jozef en Maria. 
Hij ziet de kamelen staan bekleed met purper en scharlaken. 
Hij ziet knechten van de rijke buitenlanders kisten van de kamelen afhalen en naar binnen brengen.
Hoofdschuddend loopt hij naar huis en vertelt Mirjam wat er is gebeurd. 
Peinzend gaat Ruben naar bed terwijl de stad ontwaakt en hij de kooplieden hun marktkraampjes hoort opbouwen. 
S avonds als hij wakker wordt en Mirjam van het marktplein terugkomt hoort hij de verhalen van deze reizigers. 
Mirjam vertelt dat zijn uit een heel ver land komen en dat het wijzen zijn die de standen van zon maan en sterren bestuderen. 
Zij hebben een tijd geleden in het oosten een bijzondere ster gezien waar ze geen uitleg voor hadden. 

Men zocht de oude boeken na en kwam tenslotte uit op de tekst uit Numeri één van de boeken van de Thora waarin staat: Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.

Toen wisten zij dat er in Israël een bijzondere koning geboren moest zijn en ze zijn gekomen om hem te zoeken en hulde te brengen. 
Ruben weet niet wat hij er van moet denken. 
Maar Mirjam is nog niet uitverteld. 
De wijzen zijn eerst naar Jeruzalem gegaan en hebben daar rond gevraagd waar de geboren koning van de Joden was. 
Ruben zegt wat zal Herodes opgekeken hebben toen ze daarna vroegen! 
Ja zegt Mirjam je weet maar nooit hoe deze boze koning reageert op dit soort gebeurtenissen.
Maar op de een of andere manier zijn ze getipt om naar Bethlehem te gaan en op de weg hiernaartoe zagen ze de ster die ze in het oosten gezien hadden en volgde die naar het huisje van Jozef en Maria.
Ruben weet weer niet wat hij ervan moet denken.
Hij betrekt s avonds zijn wacht weer en bespreekt de wonderlijke bezoekers nog even met de mannen van de dagwacht.
Ze zijn van plan om morgen weer te vertrekken weten ze hem te vertellen. 
Die nacht is het rustig in Bethlehem, net alsof er nooit wat gebeurt is. 
De volgende dag gaat het leven weer zijn gewone gang en hoort Ruben van Mirjam dat de bezoekers via de noordpoort richting het oosten zijn vertrokken. 
In de tweede nachtwake als de nacht op zijn donkerst is en Ruben over de muur naar de velden van Efrata kijkt hoort hij een stem. 
Poortwachter kun je de poort voor ons open doen? 
Ruben kijkt verbaasd achter zich. 
Daar ziet hij Jozef en Maria en het kind Jezus bepakt en bezakt met twee ezels bij de poort staan. 
Waarom wil je nu de stad verlaten Jozef? 
S nachts is het gevaarlijk buiten de stadsmuren hoor. 
Je weet toch dat er roversbenden en wilde dieren door het land trekken? 
Jozef antwoord; poortwachter neem van mij aan, in de stad lopen wij meer gevaar dan buiten in de wildernis. 
Ruben fronst zijn wenkbrauwen, denkt Jozef dat hij zijn werk niet goed doet? 
Waar ga je in het holst van de nacht dan heen Jozef? Naar Egypte zegt Jozef, daar zijn we voorlopig veilig. 
Ruben haalt zijn schouders op, hij vindt dat Jozef in raadsels praat maar doet de poort toch voor hen open. 
Bij het passeren zwaait de kleine Jezus naar hem en Ruben zwaait terug en sluit de poort achter hen. 
De nacht verloopt verder rustig en net als de dageraad aanbreekt ziet Ruben een groep ruiters aankomen. 
Als ze dichterbij komen ziet Ruben dat het soldaten zijn. 
Nee het zijn geen Romeinen ziet hij, het zijn soldaten van koning Herodes. 
Wat moeten die hier zo vroeg in de morgen denkt hij. 
Bij de poort aangekomen roept de hoofdman doe de poort open poortwachter! 
Tja aan soldaten van de koning mag Ruben niet ongehoorzaam zijn en weer hinkt hij de trappen af en steekt de sleutel in de poort. 
Nauwelijks is de poort van het slot of de soldaten stormen Bethlehem binnen Ruben ziet ze de huizen ingaan en hoort kreten van ontzetting en het huilen van vrouwen. 
De mannen van de dagwacht komen aanrennen.
Wat is er gebeurd vraagt 
Ruben? De soldaten van Herodes hebben alle jongetjes van twee jaar en jonger gedood roept de eerste. 
Niemand kon ze tegenhouden huilde een ander.
Ze hebben mijn zoon ook gedood! 
Ruben kijkt naar de poort, daar zit ZIJN sleutel nog in. 
HIJ heeft de soldaten in Bethlehem toegelaten, het is ZIJN schuld! 
Hij voelt de blikken van de omstanders naar hem kijken. 
Hij voelt dat hun blikken ook naar de poort gaan waar de sleutel van Ruben nog insteekt. 
Ruben rukt de sleutel uit de poort en loopt zo snel zijn misvormde been het toelaat terug naar huis.
Thuis gekomen ziet hij Mirjam verschrikt zitten.
De soldaten van Herodes zijn ook bij haar binnen gedrongen op zoek naar jongetjes. 
Hij neemt Mirjam in zijn armen en snikt het uit, het is mijn schuld, ik heb de poort voor ze open gedaan!
De dagen daarop slaapt Ruben niet. 
Vreselijke gedachten en schuldgevoel houden hem uit zijn slaap. 
Hij die de oudsten van Bethlehem belooft heeft net zo goed over de inwoners te waken als over de schapen. 
Als hij s avonds naar de zuidpoort gaat voelt hij de blikken achter de ramen naar hem kijken. 
De dagwacht vertrekt zodra ze hem zien komen zonder te groeten en de laatste vrouwen die bij de graven van hun kinderen geweest zijn keuren hem geen blik waardig als de Bethlehem binnenkomen. 

Verteerd door schuld, slaaptekort en verdriet doet Ruben de poort op slot en hijst zichzelf de trappen op tot zijn post bovenop de poort. 
De nacht valt... 
En meestal was Ruben weer blij dat de zon opging maar nu kan de nacht hem niet lang genoeg duren. 
Bij het eerste ochtendgloren haast hij zich naar huis terwijl hij hoopt dat niemand hem ziet. 
Thuis gekomen stort Ruben in elkaar, schreeuwend van schuldgevoel en slaapgebrek. Mirjam staat er handenwringend bij, valt op haar knieën en roept tot God om de ellende van haar man. 
Plotseling schijnt er een licht in de kamer. 
Ruben en Mirjam zwijgen verbaasd. 
Plotseling klinkt er een stem die zegt; Ruben wees niet bang ik heb de Profeet Jeremia al laten voorspellen dat dit gebeuren zou. 
De dood van de kinderen van Bethlehem reken ik jouw niet toe. 
Jij Ruben jij bent degene geweest die de poort van Bethlehem voor mijn zoon hebt open gehouden en jij bent ook degene die de poort hebt opengedaan zodat mijn zoon veilig naar Egypte kon vluchten. 
Ik bevrijd je daarom van alle schuld en pijn en als ik mijn zoon weer uit Egypte terugroep zul je hem herkennen aan Zijn prediking en wonderen.
Plotseling was het licht weer weg en keken Ruben en Mirjam elkaar verbaasd aan. 
En Ruben? Ruben voelt geen schuld en pijn meer. En hij voelt verbaasd aan zijn been, de pijn is weg!
De jarenlange pijn die hij na de aanval van de leeuw altijd gevoeld had is weg! 
Er komt een diepe rust en vrede in het hart van Ruben. 
Hij zakt op het bed en valt na drie dagen en nachten eindelijk in een vredige slaap. 
Mirjam dekt hem toe, dankt God voor Zijn goedheid, pakt haar manden met honingkoeken voor de markt en gaat op weg naar de markt. 
Bij het passeren van de zuidpoort kijkt ze in de richting van Egypte en mompelt kom gauw Messias kom gauw.

 Einde.

dinsdag 28 juni 2022

Staat er niets over abortus in de Bijbel?

Veel mensen, en ook christenen zeggen dat er niets in de Bijbel over abortus staat.
Daarmee wil men suggereren dat het doden van een mens in de moederschoot niet onder de afkeuring van God zelf valt, dat het geen zonde genoemd mag worden en daarmee gedoogd of zelfs gepraktiseerd mag worden.

Voor en tegenstanders werpen elkaar allerlei sociale en ethische argumenten naar het hoofd maar echt kijken naar het woord van God is er over het algemeen niet bij.

Het is makkelijk te zeggen, het staat niet in de Bijbel dus het mag.
Als er iets niet bij naam en toenaam in de Bijbel genoemd is zal men eerst moeten kijken naar de scheppingsorde en de stukken in de Bijbel die zicht geven op wat Gods wil is in een specifiek onderwerp.

Er staat bijvoorbeeld niet in de Bijbel dat je niemand van het dak mag gooien.
Er staat wel dat je niet mag doodslaan en dat ieder huis een leuning op het platte dak moest hebben om te voorkomen dat er iemand naar beneden valt.
De conclusie dat je van God niemand van het dak mag gooien is hier duidelijk, ondanks dat het niet in de Bijbel staat.

Ik wil u meenemen door de Bijbel en u een aantal vragen stellen die deze zoektocht gaat opleveren.

We gaan kijken:

1. Hoe God het leven van de mensen bedoeld heeft.
2. Hoe God de mens ziet voor de conceptie, na de conceptie en na de geboorte.
3. Wat er in de Bijbel te vinden is omtrent het doden van mensen, voor en na de geboorte.
4. Welke conclusies wij uit dit onderzoek kunnen trekken.


1. Hoe God het leven van de mensen bedoeld heeft.

God schiep de mensen voor de eeuwigheid.
Dit kunnen we lezen in Genesis 2

16 En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; 17 Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

Hieruit blijkt dat de mens zoals hij geschapen is voor de eeuwigheid geschapen is en dat het voor de zondeval niet de bedoeling was dat de mens zou sterven.
Ook lezen wij dat God om de mens eeuwig te laten leven een boom gegeven had die vruchten gaf die de mens eeuwig leven verschafte. 

Genesis 3

22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. 23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. 24 En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

Uit de volgende tekst blijkt dat God regelmatig zijn tuin (hof van Eden) bezocht waarvan hij de mensen het beheer had gegeven.

Genesis 3

8 En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.

Omdat God eeuwig leeft en Hij de mens naar zijn evenbeeld geschapen heeft moeten wij ook hier concluderen dat de mens door God geschapen is om eeuwig de hof te onderhouden en dus eeuwig te leven.


2. Hoe God de mens ziet voor de conceptie, na de conceptie en na de geboorte.

De gedachte dat een ongeboren kind "nog" geen mens is of genoemd mag worden kan ik niet terugvinden in de Bijbel.
Deze gedachte is door mensen bedacht en heeft naar mijn mening geen enkele Bijbelse grond.

Allereerst kijken wij naar de woorden die God tegen de profeet Jeremia spreekt als Hij hem roept tot het profetenambt.

Jeremia 1

1 De woorden van Jeremía, den zoon van Hilkía, uit de priesteren, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin; 

4 Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende: 5 Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld.

God zegt hier dat hij de persoon (ziel) van de profeet al heeft gekend vóór de conceptie.
Dit betekent dat de ziel van de profeet al bestond voordat er sprake was van nog maar één menselijke cel.

Koning David (die tevens ook profeet was) vertolkte het in de psalmen.

Psalm 139

14 Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, ook weet het mijn ziel zeer wel. 15 Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde. 16 Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.

David beschrijft dat zijn hele leven al voor de conceptie bij God zelf bekend was en dat zijn hele leven vanaf zijn conceptie tot zijn sterven in Gods boek geschreven stond.

Een ander voorbeeld hiervan zijn de geboorten van Johannes de Doper en Jezus Christus zelf.
Beide geboorten werden aangekondigd voor de conceptie met naam, toenaam en wat ze in hun leven zouden doen.

Hoe en op welk tijdstip de ziel dan geschapen zou worden is niet in de Bijbel terug te vinden (dat blijft iets wat God ons niet geopenbaard heeft).
Er is één uitzondering en dat is die van de schepping van Adam en Eva.

Genesis 2

7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

Maar die zijn niet geboren maar geschapen.
Wat houden voor de rest van deze studie wel even vast aan de term levende ziel.

Dat (de ziel van) het ongeboren kind leeft en een bewustzijn heeft, pijn kan voelen en geluiden kan waarnemen heeft menige wetenschapper bevestigd.

Dat (de ziel van) het ongeboren kind kan waarnemen en kan reageren lezen wij in Lucas 1

41 En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest; 42 En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks! 43 En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? 44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik. 45 En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.

Hier lezen wij dat de ongeboren Johannes de Doper Marias stem hoorde en zichzelf bewust was van de aanwezigheid van Jezus Christus in de moederschoot van Maria.
Door zijn vreugdesprong gaf hij de kennis die hij had via de Heilige Geest Gods door aan zijn moeder.
Het ongeboren kind vertelde hier zijn moeder iets wat ze daarvoor nog niet wist.

Tenslotte vinden wij iets bijzonders in Johannes 9

1 En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af. 2 En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden? 3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.

Let hier op het feit dat de discipelen vragen of de blindgeboren man gezondigd zou hebben waardoor hij als "straf" van God blind geboren zou zijn.
Wanneer zou deze vermeende zonde dan gedaan moeten zijn?
Het antwoord is voordat hij geboren werd.
Het vreemde is dat Jezus hen niet terecht wijst voor de gedachte en hen verteld dat dit niet mogelijk zou zijn.
Er zijn veel andere voorbeelden waarin Jezus mensen terecht wijst vanwege aannames die niet kloppen of door mensen verzonnen zijn.
Nee, Jezus zegt hier; Noch deze heeft gezondigd.
Hiermee geeft Jezus zelf aan dat het ongeboren kind geen aparte status heeft voor de geboorte en door God als mens gezien wordt.

3. Wat er in de Bijbel te vinden is omtrent het doden van mensen, voor en na de geboorte.

Allereerst kijken wij in deze studie niet naar het doden van mensen in oorlogstijd of het doden van mensen na een vonnis van een ingestelde rechtbank, rechter of rechtsysteem.
Deze uitzonderingen zijn niet van toepassing op het doden van mensen of ongeboren kinderen.

God heeft wetten gegeven omtrent moord met voorbedachte rade, doodslag dat een ongeluk was en doodslag met kwade opzet.
Dit leest u in Exodus 21

Exodus 21

12 Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden. 13 Doch die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij henen vliede. 14 Maar indien iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult gij denzelven van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.

Het doden van mensen is het doden van iemand die naar Gods beeld geschapen is, dus indirect een aanslag op God zelf.
Dat geldt zelfs voor mensen die in die tijd niet meetelden en niet voor volwaardige mensen gezien werden zoals slaven en slavinnen.
Zie Exodus 21:

20 Wanneer ook iemand zijn dienstknecht of zijn dienstmaagd met een stok slaat, dat hij onder zijn hand sterft, die zal zekerlijk gewroken worden.

Hieruit blijkt weer dat voor God iedere ziel gelijk is.

Ik vertelde u dat u even moest vasthouden aan de term levende ziel.
De ziel is onsterfelijk en huist in ons lichaam.
Waar huist de ziel dan?
Het antwoord is in het bloed van de mensen.

Deuteronomium 12

23 Alleen houdt vast, dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult gij de ziel met het vlees niet eten;

Leviticus 17

11 Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.

Genesis 9

4 Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten. 5 En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen. 6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.

Dus als het bloed van een mens vergoten zal worden zal de ziel van die mens vergoten worden (los worden gemaakt van het lichaam).

Het eerste voorbeeld daarvan in de Bijbel staat in Genesis 4

8 En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood. 9 En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? 10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem. 11 En nu zijt gij vervloekt; van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen. 12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.

David zegt hierover in Psalm 9

13 Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

God hoort het geroep van de zielen die roepen vanuit het vergoten bloed van de mensen.

Zo lezen wij in Genesis 18

20 Voorts zeide de HEERE: Dewijl het geroep van Sódom en Gomórra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is, 21 Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.

De HEERE heeft het hier over het geroep van Sódom en Gomórra.
Wie of wat riep tot God zul je je moeten afvragen.
De bewoners niet, die hadden niets met God.
Lot zelf is ook niet waarschijnlijk omdat God dan waarschijnlijk gezegd zou hebben dat Lot de roepende was geweest.
Als men verder leest zie je dat Lot hem niet op het marktplein wilde laten slapen omdat ze dat blijkbaar niet zouden overleven.
Het geroep moest van het vergoten bloed (de zielen) komen van de vele ongelukkigen die door toedoen van de inwoners van Sódom en Gomórra omgebracht waren.
God kwam met twee engelen als onderzoeksrechter en bracht het oordeel over hen.

Wij weten dat een ongeboren kind een eigen bloedgroep en een eigen bloedcirculatie heeft en het vorige hoofdstuk maakt duidelijk dat het ongeboren kind een ziel heeft die al voor de conceptie bestaat.
Ook zien we dat God de mens, zijn levensweg en zijn keuzes in zijn of haar leven kent van voor de conceptie tot aan het graf.

Als iemand mij wil overtuigen dat God aan een ongeboren mens een andere (of geen) waarde toekent dan aan een geboren mens, wees dan zo vriendelijk om dat op Bijbelse gronden in het commentaar te vermelden.

Nu naar de Bijbelse verwijzingen die op abortus betrekking zouden kunnen hebben.

Allereerst kijken wij naar Exodus 1

15 Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hebreïnnen, welker ener naam Sifra, en de naam der andere Pua was; 16 En zeide: Wanneer gij de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven! 17 Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, gelijk als de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven. 18 Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen, en zeide tot haar: Waarom hebt gijlieden deze zaak gedaan, dat gij de knechtjes in het leven behouden hebt? 19 En de vroedvrouwen zeiden tot Faraö: Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; eer de vroedvrouw tot haar komt, zo hebben zij gebaard. 20 Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer machtig. 21 En het geschiedde, dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij haar huizen.

Het is hier een twistpunt of de vroedvrouwen het kind (als het een jongetje was) van de Farao net voor, tijdens of net na de geboorte moesten doden.
Je zou denken tijdens of net na de geboorte.
Dat is discutabel omdat ze wel zeiden dat ze altijd na de geboorte aankwamen.
Bovendien had de Farao het bevel aan zijn volk ook direct kunnen geven zonder de vroedvrouwen zo'n bevel te geven.
Hieruit blijkt dat de Farao de jongetjes blijkbaar in het geheim wilde laten ombrengen zonder dat het in de gaten liep.
Pas toen dat niet lukte gaf hij zijn soldaten het bevel om de jongetjes te doden.

Hoe moesten de vroedvrouwen dat stiekem doen?
Veel vrouwen hadden al eerder kinderen gehad en het zou in de gaten lopen als ze zagen dat de vroedvrouwen de jongetjes zouden doden.
De enige manier waarop het stiekem kon is om het kind te doden net voor de geboorte.
Dan zou het kind doodgeboren worden en niemand kon daar voor worden aangesproken.
Een aantal theologen gaan er daarom vanuit dat deze vroedvrouwen zo goed in hun werk waren dat zij voor de geboorte het geslacht van het kind konden bepalen.

Als de vroedvrouwen tijdens of na de geboorte (de moeder zat tijdens de bevalling en kon meer zien dan als ze zou liggen) kinderen zouden ombrengen konden ze de woede en wraak van de vaders en familie over zich afroepen.
Toch spreekt de Bijbel niet over de angst voor represailles van vaders en familie maar over de vrees voor God die alles ziet.
Vrees om onschuldig bloed te vergieten waarvan ze wisten dat de straf niet van mensen maar van God zou komen.

We lezen ook dat God hen huizen bouwden.
Dat betekent in de Bijbel dat God hen veilig liet wonen, hen zegende en dat de Farao en zelfs de Satan hen geen kwaad kon doen.
Een zelfde situatie lees je in Job 1 vers 10.

Een tweede tekst die op abortus betrekking zou kunnen hebben vinden wij in Exodus 21

22 Wanneer nu mannen kijven, en slaan een zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat, doch geen dodelijk verderf zij, zo zal hij zekerlijk gestraft worden, gelijk als hem de man der vrouw oplegt, en hij zal het geven door de rechters. 23 Maar indien er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult gij geven ziel voor ziel.

De straf voor het doden van iemand staat al in de eerder genoemde tekst van Exodus 21 vers 12 t/m 14.
De staf voor het doden van iemand die voor de mensen niet volledig meetelde in Exodus 21 vers 20.

Hier handelt het om een zwangere vrouw.
Veel theologen die voor abortus zijn of hiermee sympathiseren geven in hun uitleg dat het dodelijk verderf het sterven van de vrouw zal moeten zijn.
Hier zijn een aantal dingen tegenin te brengen.

Ten eerste is het doden van mensen hoog of laag in rang of stand al in de genoemde verzen aan bod geweest.
Als het inderdaad de vrouw zal betreffen is dit een onnodige extra benoeming (in hetzelfde hoofdstuk) van dezelfde zonde/doodslag.

Ten tweede moet men in dat geval zichzelf afvragen waarom hier specifiek een zwangere vrouw in plaats van een niet zwangere vrouw omschreven staat.

Het meest logisch is dat het hier handelt over het ongeboren kind als zijnde door de mensen (maar niet door God) nog geen persoon van betekenis.
Ook gaat het hier om het afgaan van de vrucht, de ontijdige geboorte van het kind.
Daar ligt de focus op in deze tekst.
Het dodelijk verderf handelt dus logischerwijs over het vergoten bloed van het kind.
Is de vrouw ver in haar zwangerschap en blijft het kind leven dan is er alleen sprake van mishandeling die door middel van een boete kan worden voldaan.
Het verlies van een leven (vroeger in de zwangerschap) echter kan niet met een boete worden afgedaan en valt onder dezelfde straf als het doden van welk mens dan ook.
Ook hier geldt dat er opzettelijk geweld is gebruikt waardoor het bloed van een mens (voor God gelijk van voor de conceptie tot aan de natuurlijke dood) vergoten is.
Waarom je de conclusie kunt trekken dat hier sprake is van opzettelijk geweld?
Simpel, bij een slag op het hoofd, armen, benen en de borstkas zal er geen sprake zijn van schade aan het kind in de buik van de moeder.
Er moet dus gericht op de buik van de moeder (lees op het kind) geslagen zijn wil er sprake zijn van een vroege gewelddadige bevalling met dodelijk verderf als uitkomst.


4. Welke conclusies wij uit dit onderzoek kunnen trekken.

Wij kunnen als eerste concluderen dat God de dood van de mensen niet wenste, maar dat Hij van oorsprong de mens voor de eeuwigheid geschapen heeft.

Als tweede zien wij dat God ieder individu kent (geschapen heeft) en geen onderscheid maakt tussen geboren en ongeboren mensen.

Als derde zien wij dat God het doden van mensen (geboren of ongeboren) als een misdaad/zonde ziet die onder het door Hem bepaalde oordeel valt.

Als laatste komen we in de Bijbel weldegelijk teksten tegen waaruit blijkt dat abortus door God gelijkgesteld is met het doden van een (geboren) mens, hoe hoog of laag deze ook door mensen gezien worden.

dinsdag 6 juli 2021

Weerwoord tegen de "acceptatie" van homofilie in het christendom


Er zijn mensen die de homoseksuele relaties in het christendom acceptabel vinden zolang die in een monogame relatie plaatsvindt.
Men pluist de Bijbel uit die duidelijk maakt dat God iedere seksuele relatie of handelingen buiten het huwelijk tussen een man en een vrouw afwijst en als een gruwel en een zonde bestempeld om die te ontkrachten.

De onderbouwing van deze mensen bestaat uit twee principes.
Als eerste zegt men dat God alleen seksuele handelingen uit dwang en machtsmisbruik verbiedt, men wijst bijvoorbeeld op het verkrachten van gevangenen (mannen en vrouwen) om de gevangenen te kleineren.
Als tweede dat seksuele handelingen uitgevoerd in dienst van de afgoderij niet mag, hierbij wijst men naar de vroegere vormen van tempelprostitutie.

Een monogame seksuele relatie tussen een man en een man of een vrouw met een vrouw aangegaan vanuit liefde is volgens de theorie van deze mensen niet in strijd met Gods woord en dus toegestaan in Gods gemeente.
Hierbij zoekt men de Bijbel af naar de plaatsen waar Gods woord dit soort relaties en handelingen verbied en probeert bij ieder schriftgedeelte de link te leggen naar de twee principes van afgodendienst en overheersing zodat men deze aan de kant kan leggen.
Als men dan alle schriftwoorden onder deze categorieën heeft geplaatst gaat men ervan uit dat God een seksuele relatie tussen mensen van het gelijke geslacht niet afwijst of als zonde bestempeld.

Ik wil met u eens kijken naar enkele passages die in Gods woord staan en met u een aantal vragen stellen over de argumenten van deze mensen.

Ten eerste kijken wij hoe de seksualiteit is ontstaan en wat God hiermee voor ogen had.

Genesis 1

27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.

Hier in het einde van de schepping schiep God twee mensen die gelijkwaardig (naar Zijn beeld) maar niet gelijk waren.
Waarom God Adam en Eva schiep en niet Adam en Evert ligt duidelijk voor de hand als we verder lezen.

Genesis 1

28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!

Gods wil is dat de mens vruchtbaar is en als heerser het rendmeesterschap over de aarde voert.

Genesis 2

18 Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij. 19 Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn. 20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor den mens vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware.

God had in Zijn wijsheid de dieren geschapen als mannetjes en vrouwtjes zodat zij zichzelf konden vermenigvuldigen en de aarde zouden vullen.
Adam zo blijkt had in het begin van zijn werkzaamheden nog geen partner (iemand die als tegenover hem stond) waarmee hij een intieme seksuele relatie kon hebben terwijl de dieren dat wel hadden.

Stel uzelf de vraag, kon Adam zijn taak niet volbrengen zonder een hulpe, die als tegen hem over zij?
We nemen aan van wel omdat hij al een taak volbracht had (de dieren een naam te geven) en hij door God zo perfect en onsterfelijk geschapen was zodat hij zijn taken kon uitvoeren die God van hem verlangde.

Genesis 2

15 Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.

Hierna kiest God ervoor om de mens net als de dieren een partner te geven die uit het zelfde vlees was als de man maar geen man maar een vrouw was.

Genesis 2

22 En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam.

Hierbij grijpen wij ook even terug naar Genesis 1 vers 28 omdat het hier over de zelfde gebeurtenis gaat

Genesis 1

28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!

Hierbij letten wij op het brengen van de vrouw naar de man door God zelf en de zegen die God aan hen geeft.
God zelf brengt hier de bruid naar de bruidegom en sluit het huwelijk tussen hen beiden.
Wat dat betekent weet Adam als geen ander niet alleen omdat hij de dieren gezien heeft maar omdat God hen in de zegening ook de opdracht geeft om te vermenigvuldigen.
Daarom zegt Adam ook in Genesis 2 vers 23;

Genesis 2

23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is. 24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn.

Dit noemt men in de kerk de scheppingsorde, dat wil zeggen dat God gewild heeft dat het zo zal zijn.
Dit bewijst Hij door zijn handelen zoals beschreven is.

Het huwelijk en de opdracht tot een intieme seksuele relatie tussen mannen met vrouwen binnen het huwelijk is een heilige opdracht.
Dat dit voor de zondeval is ingesteld benadrukt de heiligheid van deze scheppingsorde.

Even terzijde lezen wij niet dat Adam eerst verliefd op Eva geworden is voordat het huwelijk plaatsvond.
De opdracht tot een intieme seksuele relatie geeft wel aan dat de man en de vrouw verplicht zijn binnen het huwelijk elkaar lief te hebben.
Zo zien wij door de Bijbel heen dat er huwelijken gesloten zijn zonder dat men van te voren elkaar lief had maar ook nadat men elkaar lief had gekregen.
Beide gesloten huwelijken hebben de zelfde opdracht om binnen het huwelijk elkaar lief te hebben.

Wij kunnen tot de conclusie komen dat het huwelijk (het bevestigen van een intieme seksuele relatie) tussen een man en een vrouw van God is.
Of iedere andere vorm van een seksuele relatie ook van God is, is de vraag omdat God dit niet ingesteld heeft.

Nu kijken wij naar de vaak verguisde tekst uit Leviticus 20

In vers 1 tot en met 5 heeft God het over de seksuele zonden binnen de afgodendienst van de molech.
Dat is een afgesloten onderwerp en God gaat vanaf vers 6 door met het veroordelen van andere seksuele zonden.
De mensen die hier de link willen blijven leggen naar de molech godsdienst slaan de plank mis omdat het verder over andere specifieke zonden gaat.

Vanaf vers 10 tot en met 21 somt God de seksuele zonden op die men los van de molech godsdienst individueel zou kunnen begaan in eigen woning.
Iedere seksuele zonde hier genoemd krijgt van God ook een eigen straf.

Leviticus 20

13 Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!

We zullen de grondtekst even over het eerste gedeelte van deze tekst leggen:

Voor het woord man staat: אִישׁ

De vertaalmogelijkheden zijn: man, mannetje,echtgenoot,dienaar, persoon, mensheid, kampioen, ieder, groot man, menselijk wezen.

Voor gelegen hebben staat: שָׁכַב

De vertaalmogelijkheden zijn: onderpand, rust, slaap, liggen, liggen, diversen.

Voor manspersoon staat : זָכָר

De vertaalmogelijkheden zijn: mannelijk, penis, mannelijk geslacht, man

Voor bijligging staat : מִשְׁכָּב

De vertaalmogelijkheden zijn: slaapkamer, bed

Voor vrouwelijke staat: אִשָּׁה

De vertaalmogelijkheden zijn: bijvrouw, de een bij de ander, vrouw, huisvrouw, vrouwen, van vrouwelijk geslacht

De vertalers hebben goed begrepen dat het hier over de seksuele handelingen tussen twee mannen gaat.
De man die in bed ligt met een andere man waar in de grondtekst verwezen wordt naar het geslachtsdeel van die andere man (er in contact mee zijn) alsof het een contact met (het geslachtsdeel van) een vrouw is.
De mensen die aanhangers zijn van een seksuele relatie tussen mannen wijzen nu waarschijnlijk op het woordje שָׁכַב
Als men één van de mogelijke vertalingen neemt zou men kunnen zeggen dat het om dwang, overheersing of chantage zou kunnen gaan.
Het Hebreeuws is echter een taal waarin niet één vertaling van een woord de betekenis weergeeft maar alle mogelijke vertalingen.

Er zijn mensen die denken dat het hier om twee mannen gaat die seksuele handelingen met één vrouw plegen.
Dit gaat niet op omdat er duidelijk staat dat er twee mensen (de mannen) gedood moeten worden.
Er is dus geen derde (vrouw) bij.

Stel uzelf de vraag of u ergens uit op kunt maken dat de seksuele zonden van vers 13, maar ook van vers 10 tot en met 21 bij wijze van uitzondering wel toegestaan zijn als er sprake is van "liefde"?

Zonde betekent het doel missen, iets niet gebruikten waarvoor het bestemd is of doen zodat het doel waar het voor is niet bereikt word.

Stel uzelf de vraag of het doel waar God de seksualiteit voor geschapen heeft (beschreven in Genesis 1 vers 28) bereikt word door de seksuele handelingen bedreven in Leviticus 20 vers 10 tot en met 21.

Stel uzelf de vraag waarom in het oude testament nooit een inzegening te lezen is van een "huwelijk" tussen man en man of vrouw en vrouw.

Stel uzelf de vraag waarom de Schriftgeleerden en de Farizeeën Jezus nooit verzocht hebben met de vraag of het huwen van mensen van gelijk geslacht wel zou mogen als men van elkaar houdt.

Nu kijken wij wat het nieuwe testament over deze zaken zegt.

De HEER heeft ons heidenen een Apostel gegeven die wij nodig hebben, een farizeeër onder de farizeeën, Paulus of Saulus.
God heeft hier een reden voor gehad omdat Paulus door zijn opleiding aan de voeten van Gamaliël precies wist wat God in Zijn woord gezegd heeft en daar de juiste interpretatie van wist.

Paulus begint in zijn eerste brief aan de Romeinen met het schetsen van de toestanden in het heidendom.
Paulus spreekt hier onder meer over de seksuele omgang die vrouwen zoals mannen onder elkaar hadden in die tijd.
Het feit dat dit (evenals in het oude testament) beschreven is betekent dat dit zaken waren die door de hele Bijbelse tijd voorkwamen.
Deze seksuele zonden (zie de scheppingsorde) werden zowel in de afgodendienst als door dwang, verkrachting en overheersing ook vrijwillig uit lust begaan.

Romeinen 1

27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.

Allereerst een commentaar van één van mijn geraadpleegde bronnen:

in hun lust tegen elkander, vaak wordt als argument aangehaald dat deze teksten in een "heidens-afgodische context" gelezen moet worden (cf. vs. 25). Echter nergens wordt hier in dit hoofdstuk geschreven over het ter ere van afgoden, bovendien zou dan ook "boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog" (vs. 29) dan in diezelfde "context" gelezen moeten worden.

Hieruit kunnen wij opmaken dat het argument dat hier sprake zou zijn van seksuele handelingen bedreven vanuit de afgodendienst alvast ter zijde gelegd kan worden.

Is hier dan sprake van machtsmisbruik, overheersing of andere vormen van relaties waarbij er sprake is van een overheerser en een onderhorige?

Evenals bij de tekst in Leviticus leggen wij een aantal woorden vanuit de grondtekst naast de vertaling.

Voor het woord insgelijks staat: ὁμοίως

De vertaalmogelijkheden zijn: als, gelijksoortig, op dezelfde manier.

Voor het woord mannen staat: ἄῤῥην

De vertaalmogelijkheden zijn: mannelijk, man.

Voor het woord nalatende staat: ἀφίημι

Dit woord betekent vertaald: wegzenden.

Voor het woord natuurlijk staat: φυσικός

Dit woord betekent vertaald: natuurlijk

Voor het woord gebruik staat: χρῆσις

De vertaalmogelijkheden zijn: gebruik, intimiteit

Voor het woord vrouw staat: θῆλυς

De vertaalmogelijkheden zijn: vrouwelijk, vrouw

Voor het woord verhit staat: ἐκκαίω

De vertaalmogelijkheden zijn: uitbranden, ontsteken, ontbranden.

Voor het woord lust staat: ὄρεξις

De vertaalmogelijkheden zijn: begeerte, verlangen, lust

Voor het woord  hun staat: αὐτός

De vertaalmogelijkheden zijn: hij zelf, zij zelf, hetzelf, hij, zij, het, dezelfde.

Voor het woord elkander staat: ἀλλήλων

De vertaalmogelijkheden zijn: elkaar, wederzijds, wederkerig.

Voor het woord schandelijkheid staat: ἀσχημοσύνη

De vertaalmogelijkheden zijn: schaamte, naaktheid.

Voor het woord bedrijvende staat: κατεργάζομαι

De vertaalmogelijkheden zijn: verrichten, bereiken, bewerken.

Voor het woord vergelding staat: ἀντιμισθία

De vertaalmogelijkheden zijn: loon, vergelding.

Voor het woord ontvangende staat: ἀπολαμβάνω

Dit woord betekent vertaald: ontvangen.

Hier gaat het dus om mannen die de natuurlijke seksuele relatie met een vrouw hebben verlaten tot zover ze die hadden.
Een detail is het woord ἀφίημι wat onze vertalers met nalaten is vertaald.
Dit woord betekent ook wegzenden.
Hieruit kunnen wij opmaken dat als deze mannen getrouwd waren zij hun vrouwen hebben weggezonden (gescheiden) om een andere seksuele relatie met een man aan te gaan.
Dit zou kunnen omdat in die tijd voor de meeste jongeren al op jonge leeftijd een huwelijk werd gearrangeerd zonder dat men daar zelf veel invloed op had.
Deze mannen hadden een begeerte om een seksuele relatie met een man aan te gaan die zo sterk was dat Paulus de begeerte, verlangen en lust onderstreept met het woord ἀφίημι (uitbranden, ontsteken, ontbranden).
Ook blijkt dat de relaties die aangegaan werden ἀλλήλων (elkaar, wederzijds, wederkerig) waren dus op gelijke voet naar elkaar toe.
Dit sluit de theorie van machtsmisbruik, overheersing of andere vormen van relaties waarbij er sprake is van een overheerser en een onderhorige uit.

De seksuele handelingen werden in naaktheid (ἀσχημοσύνη) verricht (κατεργάζομαι) en als loon (ἀντιμισθία) ontving (ἀπολαμβάνω)
men in hun eigen manlijke lichaam het zaad van een man.

Stel uzelf de vraag of het Gods bedoeling is geweest dat een man zijn zaad in de anus van een ander man loost.

Zeker als men met de geschiedenis van Onan in het achterhoofd weet dat God hem doode omdat hij zijn zaad ter aarde storte en hoewel hij door het zwagerhuwelijk met de vrouw van zijn overleden broer getrouwd was en er hier sprake was van een door God ingestelde seksuele relatie.

Genesis 38

9 Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven. 10 En het was kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.

Ook seksuele zonden die binnen het huwelijk gepleegd worden zijn dus kwaad in de ogen van de HEERE (zie mijn eerdere definitie van zonde).

Stel uzelf de vraag of God deze seksuele handelingen en relaties (Romeinen 1 vers 26 en 27) als zonde beschouwd als Paulus zegt in Romeinen 1 vers 32;

Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.

Ze zijn des doods waardig, helaas is dat in het verleden opgevat als dat deze mensen de doodstraf zouden moeten krijgen.
In de eeuwen voor ons is deze gedachte vaak in de praktijk gebracht en is deze praktijk in sommige islamitische landen nog steeds van kracht.

Des doods waardig is echter niet een uitdrukking van de mens maar van God zelf.
God zegt in Zijn woord (en Paulus maakt dat de heidenen duidelijk) dat mensen die deze dingen doen als dood zijn voor de HEERE.
Dit terwijl God door de profeet Ezechiël spreekt;

Ezechiël 33

11 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?

de HEER roept hier op tot bekering, hetgeen waar Hij Paulus voor tot de heidenen gezonden heeft.

Daarom is Paulus zo blij in zijn brief aan de Korintiërs waar hij schrijft;

1 Korintiërs 6

9 Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? 10 Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. 11 En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.

Let op vers 11, mensen die deze zonden begaan hebben maar nu afgewassen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn.
Gebroken hebben met de zonde en het (eeuwig) leven in Christus gevonden hebben.
Niet meer des doods waardig dus.

Aha roepen de mensen die voor het homohuwelijk in de kerk zijn.
In vers 10 staat afgodendienaars, dus daar is de link tussen de afgodendienst en de seksuele omgang tussen de mannen.

Dat zou dan ook moeten gelden voor overspelers (gezien de tempelprostitutie kan dat), de ontuchtigen (in de tempelprostitutie had men mannen en vrouwen als prostituees dus dat kan ook), dieven (dat is een zonde waarvan ik niet direct de link kan leggen naar de afgodendienst), gierigaards (ook geen zonde waarvan ik direct de link kan leggen naar de afgodendienst), lasteraars (zou kunnen als men in dienst van de afgoden de God van Israël zou lasteren, maar erg waarschijnlijk is dat niet) en rovers (onwaarschijnlijk dat deze zonde in de afgodendienst was ingebed).

Al met al is het waarschijnlijk dat het " die bij mannen liggen" hier op zichzelf staande zonde is, niet gelinkt aan de afgodendienst.

Maar al zou het (dit soort seksuele handelingen) beleeft zijn in de afgodendienst dan zou u zichzelf kunnen afvragen waarom de afgodendienst dit soort handelingen in hun cultus zou hebben.
Als we het simpel stellen de ware Godsdienst is de dienst van God en de afgodendienst is in dienst van de satan.

Satan de grote tegenstander van God zal alles promoten wat niet van God is, zeker ook op seksueel gebied.
Zoals eerder gezegd waren er manlijke en vrouwelijke tempelprostituees binnen de verschillende afgodendiensten.
De grote tegenstander van God promoot alles wat God niet heeft ingesteld en alles wat God verboden heeft.
Zelfs heterofiele mannen en vrouwen werden aangespoord om biseksuele handelingen binnen de tempeldiensten te verrichten.
Hiermee werden de seksuele relaties die niet door God waren ingesteld gepromoot en geaccepteerd binnen de maatschappij.
Dit wijst ons erop dat zelfs de satan weet dat deze relaties en seksuele handelingen zondig zijn.
Waarom willen de voorstanders dan koste wat het kost ons voorhouden dat het niet zondig is?

Hierbij kunt u zich afvragen of de kerken die andere seksuele relaties tegen de scheppingsorde accepteren en inzegenen de God van de schriften prediken, of de god prediken waarvan zij geloven dat hij deze relaties inderdaad zal zegenen.

Ja de moderne mens luistert graag naar die uitleg waarna hun hart uitgaat en sluit zichzelf af voor teksten uit de Heilige Schrift die niet stroken met de begeerte van hun hart.
Men is dan ook blij dat er theologen zijn die de theorie verkondigen dat iedere seksuele relatie (het huwelijk is het aangaan van een seksuele relatie) die uit liefde voortkomt door God geaccepteerd en gezegend word.
De god die zij dienen is de god die zichzelf aan de wensen van hun harten aanpast.
De vraag die dan gesteld moet worden is of God die Zijn wil in Zijn woord gegeven heeft zichzelf zal willen aanpassen aan de wensen van de mens.

Vervolgens hoor je voorstanders roepen Jezus heeft nooit iets over homofilie gezegd.
Nu zult u zichzelf moeten afvragen of dat überhaupt nodig is geweest.
Jezus Christus zei zelf;

Johannes 10

30 Ik en de Vader zijn één.

Ook zegt Jezus Christus;

Johannes 14

10 Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken. 11 Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve.

Zou Jezus alle woorden die God de Vader gesproken heeft moeten herhalen om de woorden van de Vader rechtsgeldig te laten zijn?

Jezus Christus heeft wel de scheppingsorde bevestigd door de woorden uit Genesis 1 vers 27 en Genesis 5 vers 2 (als God tweemaal iets gezegd heeft heeft Hij zijn woord bevestigd) opnieuw te bevestigen door te spreken;

Matteüs 19

4 Doch Hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? 5 En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn; 6 Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.

Veel mensen zien Jezus Christus graag als goeddoener die mensen geneest en over het komende koninkrijk van God spreekt.
Veel mensen vergeten dat hoewel de Vader de zonde scherp afwijst Jezus nog scherper is in hetgeen Hij van Zijn schapen verwacht.
Niemand in de Bijbel heeft zo vaak over de eeuwige straf en de hel gesproken dan Jezus Christus zelf.

Jezus spreekt over de verleiding van de zonde aldus;

Matteüs 18

8 Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.

En over de seksuele verleidingen die de mensen hadden;

Matteüs 19

12 Want er zijn gesnedenen, die uit moeders lijf alzo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die van de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zichzelven gesneden hebben, om het Koninkrijk der hemelen. Die dit vatten kan, vatte het.

Zo kunnen de voorstanders van andere seksuele relaties zichzelf niet achter het argument verschuilen dat Jezus Christus het nooit over andere seksuele relaties heeft gehad.
Ook het feit dat Jezus, de Farizeeën en zeker de Sadduceeën (van wie je dit het meeste zou kunnen verwachten) er nooit over begonnen zijn zegt eigenlijk genoeg.

Ook proberen de voorstanders vaak op het gevoel van de mensen in te spelen.
Een argument is dat het toch verschrikkelijk is dat iemand met homofiele gevoelens zijn leven lang "verplicht" sellibar zou moeten leven, en dat dit toch niet Gods bedoeling zal kunnen zijn aangezien Hij deze mens zo (met deze gevoelens) geschapen heeft.
Met dit argument gaat men totaal voorbij aan de zondeval en het feit dat God de mens rein geschapen heeft.
De Heidelbergse Catechismus zegt hierover het volgende:

ZONDAG 4
Vraag 9: Doet God dan de mens geen onrecht als Hij in zijn Wet van hem eist wat hij niet doen kan?

Antwoord: Nee, want God heeft de mens zo geschapen dat hij hiertoe in staat was. 
Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen op aanstichten van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd.

Op een vraag over het lijden van zo'n persoon kunnen we kort zijn.

Zo'n persoon heeft een zwaar kruis te dragen.
Maar aan de andere kant heeft iedereen door de zonde een boezemzonde waartegen hij of zij dagelijks te strijden heeft.
Als je verder van God (Jezus) vandaan loopt trekt de zonde steeds zwaarder.
Hoe dichter bij Hem hoe lichter je kruis is door de kracht van de Heilige Geest.

Daarom zegt 1 Korintiërs 10

13 Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.

U moet niet vergeten dat de eerste seksuele zonden niet door mensen maar door engelen gepleegd zijn.
Deze aparte groep engelen waren door God op een post gezet waar ze hun werk moesten doen.

Genesis 6

2 Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. 3 Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. 4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.

Waarvan Judas schrijft;

Judas 1

6 En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. 7 Gelijk Sódoma en Gomórra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.

Ook Petrus spreekt over deze geschiedenis als waarschuwing tegen de zonde tegen de scheppingsorde van God;

2 Petrus 2

4 Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;

Het apocriefe boek van Henoch schrijft hier uitgebreider over;

de  Wachters  riepen  mij  -  Henoch  de  schriftsteller  -  en  zeiden  tot  mij: 'Henoch,  gij  schriftsteller  van  rechtvaardigheid,  ga,  verklaar  aan  de  Wachters  der hemel  die  de  hoge  hemel,  de  heilige  eeuwige  plaats,  verlaten  hebben  en  zich  met vrouwen  verontreinigd  hebben,  en  de  dingen  naar  de  wijze  van  de  aardse  kinderen gedaan  hebben,  en  vrouwen  in  bezit  hebben  genomen:  "Gijlieden  hebt  de  aarde  een grote  vernietiging  toegebracht,  en  gij  zult  geen  vrede  noch  vergeving  van zonde hebben;

God zegt in dit boek tegen de engelen die gezondigd hadden;

Waarom  hebt  gij  de  hoge,  heilige,  en  eeuwige hemel  verlaten,  en  bij  vrouwen  gelegen,  en  uzelf  met  de  dochters  der  mensen verontreinigd  en  uzelf  vrouwen  toegeëigend,  en  gelijk  de  kinderen  der  aarde gedaan,  en  reuzen  (als  uw)  zonen  verwekt?  En  ondanks  dat  gij  heilig  en  geestelijk waart,  en  het  eeuwig  leven  had,  hebt  gij  uzelf  met  het  bloed  van  vrouwen verontreinigd,  en  (kinderen)  met  het  bloed  dat  in  het  vlees  is  verwekt,  en  gelijk  de mensenkinderen  vlees  en  bloed  begeerd  zoals  ook  zij  doen  die  doodgaan en verdwijnen.  Daarom  heb  ik  hen  ook  vrouwen  gegeven  zodat  zij  die  zwanger  konden maken,  en  kinderen van  hen  konden  krijgen,  opdat  het  hun  aldus  aan  niets  op  aarde zou  ontbreken.  Maar  gij  waart  voorheen  geestelijk,  het  eeuwig  leven  bezittend,  en onsterfelijk  voor  alle  generaties  van  de  wereld.  En  daarom  heb  Ik  geen  vrouwen  voor u  bestemd;

Engelen zijn dus mannen.
Vrouwen en kinder-engelen bestaan niet en komen daarom ook niet in de Bijbel voor.
Dat engelen dienende geesten zijn wil niet zeggen dat ze geen lichaam hebben.
In de Bijbel eten ze met mensen, lopen ze met mensen raken ze aan, trekken ze een stad uit, kunnen worden tegengehouden door andere engelen en kunnen kinderen verwekken bij vrouwen van de mensen.
Een geest kan dat niet.

Deze engelen mannen zijn een seksuele relatie aangegaan met vrouwen van mensen.
Hoewel er door God nog geen wet uitgevaardigd was dat dit niet mocht blijkt dat deze engelen door het verlaten van hun plicht en het tegen de scheppingsorde van God aangaan van een seksuele relatie met vrouwen van de mensen zij de eeuwige straf over zichzelf te hebben afgeroepen.
Hoewel ook zij lust hadden waren ze door God toch niet bestemd om een seksuele relatie aan te gaan.
Waarom is voor ons niet te begrijpen, zoals wij zoveel van God niet kunnen begrijpen.
God zegt toch immers door middel van Jesaja;

Jesaja 55

8 Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. 9 Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.

Wij komen hier tot de slotsom dat God een zonde tegen Zijn scheppingsorde hoog opneemt en dat Hij dat aan Israël bevestigd heeft doormiddel van Mozes in het boek Leviticus en dat hij dat aan de heidenen bekend gemaakt heeft doormiddel van Paulus zijn brieven (op meerdere plaatsen).
Wij kunnen concluderen dat ook seksuele handelingen en relaties buiten de scheppingsorde bedenksels van (de begeerte van de) mensen zijn (en niet van God).
Ook kunnen wij concluderen dat God dit soort zonde hoog opneemt en dit straft met de eeuwige straf.
Wij concluderen ook dat de promotie en aceptatie van andere seksuele relaties hun oorsprong hebben vanuit de afgodendiensten, dus vanuit satan zelf.
Ten slotte concluderen we dat deze relaties waarvan gezegd wordt dat deze uit "liefde" aangegaan zijn in werkelijkheid vanuit lust ontstaan omdat het altijd begint met de seksuele begeerte naar het lichaam van de ander.

Als laatste brengen de mensen die deze relaties in de kerk willen accepteren de "andere" vormen van het huwelijk in stelling.
Ja, er staan in de Bijbel een aantal andere vormen zoals polygynie.
Als u dit goed leest ziet u dat dit altijd gaat over een huwelijk tussen een man en (meerdere) vrouw(en).
God heeft door de gebrokenheid van deze wereld binnen de grenzen van de scheppingsorde dit soort relaties niet tot zonde verklaard, hoewel er vaak geen zegen op ruste vanwege onder andere jaloezie.
Daarom heeft God er wel regels aan verbonden.
Zo staat in Exodus;

Exodus 21

10 Indien hij voor zich een andere neemt, zo zal hij aan deze haar spijs, haar deksel, en haar huwelijksplicht niet onttrekken (in een andere vertaling staat niet verminderen in plaats van onttrekken)







zondag 7 februari 2021

Engelen

Engelen.

Soms dan opent God de hemel, en laat Hij iets zien van zijn rijk.
Zijn bestuur van onze wereld maar ook die van Zijn koninkrijk.

Velen mochten komen kijken, en kregen opdracht schrijf het neer.
Zodat de arme en de rijke meer mogen weten van de Heer.

Henoch ja die was de eerste, als schriftsteller der gerechtigheid.
Anderen die mochten volgen gaven ons meer onderscheid.

Jacob zag de hemel open, die was toch niet te ver weg.
Want hij zag de engelen lopen op en neer naar heg en steg.

Jakob zag de deur geopend, zo laat God zien, Hij is nabij.
En ook al lijkt die deur gesloten God ziet en zorgt voor jou en mij.

En vanuit Zijn heilige woonplaats stuurt Hij engelen naar ons toe.
Om te troosten en beschermen als wij zijn van strijden moe.

Deze engelen zijn de strijders tegen duivel en demon.
Die ons proberen weg te houden van de redding van Gods zoon.

En dat is warempel nodig midden in dit tranendal.
Waar de overste der wereld louter droefheid zaaien zal.

Hij de meester van het kwaad, ook hij stuurt zijn demonen.
Die zouden als het even kan ook in U willen wonen.

Bewegend U tot alle kwaad van binnen en van buiten.
En zie een zwarte engel staart ook bij U door de ruiten.

En zie daar in zijn hand, daar ligt het zwartboek van Uw leven.
Waar hij al Uw zon'd en euveldaan netjes heeft opgeschreven.

Is er dan weer een bladzij vol, dan gaat hij het snel melden.
Aan satan zelf, die zegt tot God, zou U dat niet vergelden?

Wie is de mens die stand houd tegen geesten der verleiding?
Al snakt zijn ziel och toch zo zeer naar eeuwige bevrijding?

God zij gelooft, Hij biedt de mens bescherming tegen de demonen.
Zodra U zijne Heilige Geest maar in Uw hart laat wonen.

Als dat gebeurt dan veegt Gods Geest demonen uit 't hart der mensen.
De zwarte engel kijkt macht'loos toe en staat het te verwensen.

Woedend over hun verlies gaat de strijd dan echt beginnen.
De demonen willen, wat het ook kost Uw hart weer binnendringen.

De zwarte engel zwaar getergd, roept hulp van zijn kompanen.
Om listig via oor en oog de weg naar 't hart te banen.

Maar ook door ziekte, pijn of ramp naar ons toe te zenden.
Proberen zij de arme ziel weer van God af te wenden.

Dat alles ligt in satans macht, als gevolg van onze zonden.
Zo sloeg hij ook eens arme Job met vele diepe wonden.

Het bate satan echter niets, want uit het diepst van zijn ellende.
Riep Job dat zijn verlosser leeft die hem verlossing zende.

Gods engelen zijn om ons heen, God heeft ze zelf gezonden.
Tot redding, troost, bescherming en tot heling van de wonden.

Onzichtbaar voor het mens ’lijk oog wordt hier de strijd gevochten.
Voor de zaligheid der zielen van de door Jezus vrijgekochten.

Een enkeling die mocht iets zien van die hemelse legermachten.
Zoals Elisa’s knecht die naar de mens gezien geen redding kon verwachten.

Johannes was de laatste, hij mocht zien wat moet gebeuren.
God zelf riep hem naar boven toe en opende de deuren.

Hij zag een ongekende strijd die de onze doet verbleken.
Zag oordeel, straf, gerechtigheid op aard en hemelstreken.

De laatste strijd zal hevig zijn, maar de uitkomst staat geschreven.
In ’t laatste mooie Bijbelboek die God ons heeft gegeven.

Zo zij de Heer de lof en prijs, die ons door engelen laat omringen.
Zodat de satan geen enkel kind van God Hem kan ontwringen.


zaterdag 2 januari 2021

Wat de Bijbel zegt over de schepping

De schepping, een wonderlijk verhaal dat door veel mensen (ook christenen) vaak gezien word als een verhaal dat figuurlijk of maar gedeeltelijk letterlijk genomen moet worden.
Ook breken de geleerden en theologen het hoofd over deze geschiedenis in Genesis 1.

Allereerst moeten wij ons realiseren dat God Mozes de opdracht heeft gegeven om deze geschiedenis op papier te zetten, duidelijk leesbaar voor iedereen die lezen kon (dit konden vrijwel alle joodse mannen).
Duidelijk zonder er ingewikkelde theorieën op na te houden of ingewikkelde uitleggen te geven.
Met andere woorden, zoals het er staat zo is het ook gebeurt.

Ik neem u mee door de schriften die aantonen dat velen van ons de woorden wel goed lazen maar er een eigen theologische draai aan gaven waardoor het wonder van de schepping schade heeft geleden.

Om onderscheid te maken tussen mijn toelichtingen en de schriften zijn de teksten vanuit de schriften cursief weergegeven. 

Genesis 1

1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

Te eerste moeten wij ons bewust zijn dat in de scheppinggeschiedenis er drie woorden gebruikt worden die in onze vertalingen vaak door hetzelfde woord vertaald worden.
Zo Is het oorspronkelijke woord wat hier met "schiep" vertaald wordt בָּרָא die vertaald kan worden als: scheppen, creëren, Schepper, mest, neerhouwen, afsnijden, uitsnijden.
Dit woord komt tijdens de schepping alleen terug als er sprake is van het scheppen van levende zielen (wezens) van dieren en mensen.

Nu wij even stilstaan bij het eerste vers ziet u dat er een punt en geen komma staat, dit betekend dat wij niet in één adem vers twee moeten lezen maar stil moeten staan bij de schepping van Hemel en aarde.
In de schriften word duidelijk dat er drie hemelen zijn, Paulus schrijft in de tweede korintebrief hoofdstuk 12 vers 2;

2 Korintiërs 12

2 Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel; 3 En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God weet het), 4 Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.

Om even een onderscheid te maken moeten wij weten welke hemel hier in eerste instantie bedoeld is.

Er zijn drie hemelen:
1. De eerste hemel is de dampkring en de wolken (over wiens schepping wij later lezen).
2. De tweede hemel is de kosmos waarin de zon maan en sterren staan (ook deze schepping staat verderop in Genesis te lezen).
3. De derde hemel, (zo blijkt uit de beschrijving van paulus en andere profeten) is de plaats waar God Zijn woning heeft en waar het paradijs zich volgens paulus zich nu bevindt.

De Hemel die in Genesis 1 vers 1 geschapen is, is dus de derde hemel waarin God Zijn woning heeft.

Zo gaan we door naar de aarde.
Aarde is een woord dat in het Hebreeuws אֶרֶץ is en dat vertaalt kan worden met: Aarde, land, grond, stof der aarde.
Aangezien er verschillende vertalingen voor het woord aarde gebruikt kunnen worden zullen wij net als bij de bovenstaande hemelen moeten kijken waar het hierbij om gaat.

De schepping van de aarde waarop wij lopen (de grond onder onze voeten) komen wij pas in vers 9 en 10 tegen.
Hieruit kunnen wij opmaken dat het hier over de schepping van onze planeet gaat. 
PS; nergens in de Bijbel (hoewel dit door tegenstanders vaak gezegd word) staat dat de aarde plat is. 

Dan is er vaak nog een discussie over het feit dat deze schepping wel of niet in de eerste dag heeft plaatsgevonden.
Vele theologen hebben er pagina's aan gewijd om met vele theorieën Genesis 1:1 tot en met Genesis 1:4 in de eerste dag te betrekken.
Maar in Genesis 1 vers 4 en 5 lezen wij duidelijk dat God hier de (aardse) tijd schept en insteld.


4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. 
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

De tijd zoals wij die kennen is geschapen en begonnen in Genesis 1 vers 5.
Het begon toen God het ritme schiep tussen licht en duisternis bij het invallen van de eerste duisternis, de eerste avond dus.
Hieruit kunnen wij lezen dat de gebeurtenissen vanaf Genesis 1 vers 1 tot en met vers 5 buiten de geschapen aardse tijdsrekening hebben plaatsgevonden.
Petrus zegt hierover: 

2 Petrus 3

8 Maar laat vooral dit u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heere is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.

Petrus spreekt hier duidelijk uit dat er in Gods hemel geen tijd bestaat maar dat God leeft in de eeuwigheid.
Tijd is dus alleen iets wat op aarde bestaat.

Nu gaan we kijken naar vers twee.
Hierbij kijken wij ook naar stukken in de Bijbel waaruit blijkt dat de kennis van de schepping van hemel en aarde van de mensen uit het oude en het nieuwe testament groter was dan de kennis waarover we nu beschikken.
  

Genesis 1:2
 2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.

De woorden “nu was” is in het Hebreeuws הָיָה
De mogelijke vertalingen van dit woord zijn:
zijn, worden, gebeuren, geschieden, bestaan, uitvallen, vergezellen, plaatsvinden, rijzen, verschijn.

Dit Hebreeuwse woord הָיָה word in de bijbel verschillend vertaald maar het slaat altijd op een gebeurtenis die of op dat moment gebeurd of nog te gebeuren staat.
In de verleden tijd word dit woord nooit gebruikt.
Dit betekend dat het “woest en ledig” zijn van de aarde op een moment gebeurd is na de schepping van hemel en aarde.

Het is tegen de natuur van de schepper dat de aarde woest en ledig in duisternis gehuld geschapen is omdat de schepper zelf het licht is.
Als wij God goed kennen weten wij dat als God iets creëert, God het in één keer goed en volmaakt maakt.
Dit onderstreept Jesaja als hij zegt:

Jesaja 45

18 Want alzo zegt de HEERE, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij ledig zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben de HEERE, en niemand meer.


Waarom was/werd de aarde nu woest en ledig?
Daarvoor moet je diep in de Bijbel spitten wil je iets van de “wereld die toen was” Genesis 1 vers 1 te weten komen.

2 Petrus 3 ver 4 t/m 7.

En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping. 
Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;
Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.
Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.

Let wel op dat deze uitspraak niet verward moet worden met de tekst uit 2 Petrus 2 vers 5:
En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;

Petrus herhaald hier niet hetgeen wat hij eerder heeft gezegd maar heeft het in 2 Petrus 3 over een andere gebeurtenis met de aarde.
Hij verhaalt hier een gebeurtenis waarvan hij zegt dat het de (vaders) mensen onbekend was.
De geschiedenis van Noach en de zondvoed was zowel bij de Joden alsook bij alle andere volkeren meer dan bekend.

Deze gebeurtenis die hij nu openbaard verhaald van het vergaan van de hemel en de aarde door middel van het water.
Hier wordt gesproken over het vergaan van de dampkring, de sterrenhemel en de droge aarde (de grond).
Wij weten allemaal dat deze dingen niet in Noachs tijd vergaan zijn.

Je zult je afvragen wat er gebeurd moet zijn na de schepping met de aarde dat hij woest en ledig werd.

Hiervoor zul je moeten kijken wat er over de satan en zijn val word gezegd.

Jesaja 14 vers 12 t/m 17;

Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!
En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.
Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.
Ja, in de hel zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van den kuil!
Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?

En in Ezechiël 28: vers 11 t/m 19 staat;

Wijders geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende:
Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere Heere: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.
Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.
Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.
Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen!
Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.
Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.
Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.

Het gaat hier om de “morgenster” ook wel bekent als satan of duivel.
u zoals we het hier lezen de overdekkende cherub (de opperste engel die het gezag over de aarde had) van de aarde geweest die zo mooi was dat het Eden (Gods hof) genoemd werd.
Hij was op Gods heiligen berg en wandelde tussen de vurige stenen.
Dus wij zien hier in fragmenten het verhaal van de "voorwereld" waar de aarde paradijselijk was en die geregeerd werd door een engel die zetelde op Gods berg tussen vurige stenen.

Zijn ontrouw en val heeft een reactie van God opgeroepen en Hij heeft een vuur uit het midden (van de aarde) doen opkomen en heeft de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed (niet die uit de dagen van Noach, want daar bleven zeeën, dampkring en bomen bewaard) bedekt.
Deze straf van God (het vuur en het water) is zo heftig geweest dat na wat later blijkt de dampkring en sterrehemel totaal verdwenen was.

Dat wij in of na ons scheppingsverhaal nooit van deze berg gehoord hebben maakt ons duidelijk dat onze schepping pas heeft plaatsgevonden nadat de aarde woest en ledig is geworden.

(Toch zien wij hier weer dat de oude volkeren meer kennis over de oude wereld hadden dan wij in onze tijd, hoewel de verhalen een eigen leven zijn gaan leiden.
De Grieken spraken ook over een berg van de goden)

Hierin zien wij weer Gods natuur te voorschijn komen die nooit laat varen hetgeen wat Zijn hand begon en net als in de tijd van Noach een nieuw begin gemaakt.

Daarom spreekt Petrus;
Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.

Er zijn genoeg vragen die deze fragmenten uit de Bijbel niet beantwoorden.
Wij noemen er een paar.

1. Hoelang heeft dit geduurd?
Dat is niet in onze tijdsrekening te meten, dus we weten dat niet.

2. waren er mensen zoals wij die kennen in deze "voorwereld"?
Dat weten wij niet zeker, Jesaja heeft het wel over steden maar niet over het type inwoners.

3. Waren er dinosaurussen op de aarde?
Grote kans van wel, maar daar staat niets van in de schriften.
Wij weten wel dat er in het oude testament en apocriefe boeken (binnen onze schepping) wel gesproken word over dieren die wij nu niet meer kennen. 


Richten wij ons nu op vers 3.

3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

Dit blijkt een hemels (goddelijk) licht geweest te zijn aangezien er nog geen zon, maan of sterren waren die hun licht op aarde konden laten schijnen.
Als wij nu weer op het Hebreeuwse woord הָיָה letten met de mogelijke vertalingen:
zijn, worden, gebeuren, geschieden, bestaan, uitvallen, vergezellen, plaatsvinden, rijzen of verschijn letten zien wij dat het dit licht in zijn bestaan werd geroepen.
Aangezien hier het woord  בָּרָא (uit Genesis 1 vers 1) niet gebruikt wordt geeft aan dat hier niet iets geschapen wordt dat tot dan toe nog niet bestaan heeft, maar dat iets dat bestaat wordt opgeroepen om een functie te vervullen.

Toen God het licht van de zon, maan en sterren over de aarde liet schijnen is dit licht (zonder lichtbron) niet meer gezien.
Een bekende theoloog filosofeerde dat God op dat moment  de lichtgolven geschapen had.
Enig bewijs uit de schriften kon hij helaas niet geven.    


Door naar Genesis 1 vers 4.

 4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.

Hier gaat God een scheiding maken die daarvoor niet geweest is.
Of er voor deze periode het licht en de duistenis er gezamelijk konden zijn is Bijbels gezien niet te zeggen, maar deze scheiding zorgde ervoor dat het of licht of duister zou zijn, zoals we verder kunnen lezen  

Door naar Genesis 1 vers 5.

5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

Toen er scheiding gemaakt was tussen licht en duisternis schiep God de dagen en nachten, de aardse tijdrekening die wij nu nog kennen.
Deze tijdrekening begon met het vallen van de eerste avond, gevolgd door de eerste nacht waarna de eerste dag aanbrak.
Let wel: het was nog geen licht die door zon, maan of sterren gegeven werd.

Door naar Genesis 1 vers 6, 7 en 8.

6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren! 
7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo. 
8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.

Hier scheid God de wateren.
De wateren die op de aarde liggen worden gescheiden van de wateren die boven de aarde liggen (de wolken).
Daartussen ligt het uitspansel (de lucht of de dampkring).
Deze schepping noemt God hemel die zoals ik in het begin al noemde de eerste hemel is die tot deze gebeurtenis nog niet bestond.
Na het scheppen van deze hemel valt opnieuw de duisternis in en maakt een einde aan de eerste dag.

We gaan door naar vers 9 en 10.

9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo. 
10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.

In vers 9 maakt God geen scheiding tussen aarde en water maar zegt dat het water (dat Zijn stem ook gehoorzamen moet)  zich te verzamelen en niet alle ruimte op de aarde meer te bedekken.

In vers 10 noemt God het droge aarde.
Je kunt hier spreken over de schepping van de aarde zoals wij die nu kennen.
In dit geval moeten wij het Hebreeuwse woord הָיָה vertalen met rijzen/verschijnen.
Dit is ook de aarde waarin God in de volgende versen Zijn wereld voor planten, dieren en mensen gaat scheppen.

Vers 11 t/m 13.

 11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo. 
12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 
13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag. 

Hier is God bezig de aarde te vervullen met bomen, planten en grasvelden, die nog steeds verlicht worden door het hemelse licht.

Vers 14 t/m 19.

14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! 
15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo. 
16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren. 
17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde. 
18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was. 
19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag. 

Hier maakt God het uitspansel des hemels (de tweede hemel door ons de kosmos of de ruimte genoemd) en Hij maakt daar lichten in.
Het woord wat hier gebruikt wordt is עָשָׂה wat vertaald kan worden door:  doen, maken, fabriceren.
Wederom wordt hier het woord בָּרָא (uit Genesis 1 vers 1) niet gebruikt wat aangeeft dat de lichten worden samengesteld uit onderdelen vanuit de eerste schepping.

De zon om overdag te heersen en zijn licht in de wereld (de eerste hemel) te laten schijnen.
De maan en sterren om snachts op te lichten en tot teken te zijn van de seizoenen (dat je aan de stand van de maan en sterren kunt aflezen welk seizoen het is).
Van het hemelse licht dat tot deze gebeurtenis heeft geschenen hebben wij daarna in de Bijbel niets meer vernomen.  

Vers 20 t/m 23.

20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! 
21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 
22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde! 
23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag. 

God schept in deze verzen de eerste levende zielen in de zee en in de lucht.
Dieren met zielen maar zonder geest die een mens wel heeft.

Vers 24 t/m 31 

24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo. 25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. 28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! 29 En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze! 30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo. 31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.


Genesis 2

1 Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir. 2 Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. 3 En God heeft den zevenden dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken. 4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte. 5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.

Wat moeten wij nu concluderen als wij Exodus 20 lezen?

11 Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.

Heeft God de hemel en aarde in zes dagen gemaakt?
Ja, God heeft de hemel (de dampkring waarin wij leven) gemaakt, de aarde (de grond onder onze voeten waarop wij leven) en de zee (waarin de waterdieren leven).
Let op dat de tekst en al wat daarin is niet alleen betrekking heeft op de zee maar ook op de genoemde hemel en aarde.

Naschrift:
Iemand maakte ooit de opmerking dat de resten van Dinosaurussen, planten, dieren en bomen die we in de aarde vinden het gevolg is dat iemand de boel niet goed had opgeruimd.
Hij was het met mijn mening eens dat dit geen kwestie is van "de bloel niet goed opruimen" maar dat deze resten opzettelijk door ons gevonden konden worden als een waarschuwing wat er met een wereld kan gebeuren die tegen God in opstand komt.